mr. Madeleine Lamers
advocaat CMS
Hoge Raad 7 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1696
Dit is wat mij betreft een arrest uit de “oude doos”, namelijk het Statenbank/Fiet-arrest uit 1995 (NJ1995, 681). De heer Fiet was statutair bestuurder van de Statenbank en was als statutair bestuurder op voorhand
een afvloeiingsregeling overeengekomen. Deze afvloeiingsregeling kwam erop neer dat hij recht had op een vergoeding ter hoogte van zes bruto maandsalarissen. De heer Fiet was in dienst getreden op 1 april 1989 en de arbeidsovereenkomst werd beëindigd met inachtneming van de opzegtermijn per 31 januari 1992 op grond van de situatie dat het personeel van de Statenbank niet langer vertrouwen had in de heer Fiet.
De heer Fiet vond de vergoeding volstrekt onvoldoende en meldde zich destijds bij een kantoorgenoot van mij. De heer Fiet had een stapeltje stukken in een plastic tasje en vroeg aan mijn toenmalige kantoorgenoot of zij er brood in zag om een hogere vergoeding dan de contractueel overeengekomen vergoeding in rechte te vorderen. Mijn toenmalige kantoorgenoot zag er – achteraf gezien ten onrechte – geen heil in om te gaan procederen voor een hogere vergoeding, aangezien de heer Fiet expliciet getekend had voor een beëindigingsvergoeding op voorhand.
De heer Fiet heeft zich vervolgens tot een andere advocaat gewend en uiteindelijk heeft dat de heer Fiet geen windeieren gelegd. In eerste aanleg werd destijds geoordeeld dat het ontslag van de heer Fiet weliswaar kennelijk onredelijk was, maar alleen voor zover de
Statenbank de overeengekomen schadeloosstelling van zes maanden niet aan de heer Fiet had aangeboden. De rechtbank veroordeelde de bank tot betaling van een vergoeding van Fl. 82.500. Het hof vernietigde dit vonnis en verklaarde voor recht dat het verleende ontslag kennelijk onredelijk was en veroordeelde de bank tot betaling van een schadevergoeding ter grootte van Fl. 750.000. Het hof nam een tiental factoren in ogenschouw op grond waarvan het hof besloot deze schadevergoeding naar billijkheid toe te kennen. De Statenbank liet het er niet bij zitten en wendde zich tot de Hoge Raad en stelde zich op het standpunt dat de op voorhand overeengekomen afvloeiingsregeling gekwalificeerd diende te worden als een vaststellingsovereenkomst. De Hoge Raad ging niet mee in deze redenering, met als gevolg dat de Statenbank de heer Fiet de Fl. 750.000 diende te betalen.
De betekenis voor de praktijk was enorm. Immers, indachtig de heer Fiet hebben vele ontslagen bestuurders daarna in rechte, vaak met succes, een hogere vergoeding in de wacht kunnen slepen dan de schriftelijk overeengekomen vergoeding in de arbeidsovereenkomst. Dit is onder de WWZ, die geldt vanaf 1 juli 2015, in beginsel niet anders geworden. Immers op grond van artikel 7: 682 lid3 sub a en b jo artikel 7:671 lid1 sub e BW kan een ontslagen bestuurder als de opzegging in strijd is met een van de
ontslagronden uit artikel 7:669 BW of het gevolg is van ernstig verwijtbar handelen van de werkgever, een billijke vergoeding vorderen waarbij de vooraf overeengekomen ontslagvergoeding ‘slechts’ een aspect is waarmee de rechter rekening hoeft te houden. De jurisprudentie op dit gebied is vrij grillig en onvoorspelbaar voor bestuurders.
Tips & Tricks:
Dit hangt natuurlijk af van de partij die je adviseert. Sta je een ondernemer/werkgever bij zorg dan dat je in de contractuele vergoeding opneemt dat deze inclusief transitievergoeding alsmede een mogelijke billijke vergoeding is. Andersom, zorg dat je als bestuurder het tegenovergestelde opneemt en voeg het woordje minimaal toe. Uiteindelijk ligt het aan de situatie, staat de werkgever te springen om net deze ene directeur aan te stellen dat heeft de directeur een betere onderhandelingspositie. Is de omgekeerde situatie het geval dan heeft de werkgever een sterkere onderhandelingspositie.