mr. Agnes van Wieren
advocaat en partner Banning Advocaten
Hoge Raad 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3011
In het Rapport Alimentatienormen werd per 1 januari 2013 aanbevolen om het kindgebonden budget in mindering te brengen op de behoefte van kinderen. Als gevolg
van de Wet Hervorming Kindregelingen per 1 januari 2015 was vaak sprake van een fors
hoger kindgebondenbudget, waardoor de niet in hoofdzaak verzorgende ouder na een scheiding geen of slechts een geringe bijdrage hoefde te betalen voor zijn/haar kinderen.
Gevolg: veel verzoeken tot wijziging/nihilstelling kinderalimentatie, waarbij de gerechten verschillend
omgingen met de richtlijn. Dit leidde tot prejudiciële vragen aan de Hoge Raad.
De Hoge Raad besliste in antwoord daarop:
1. Bij de vaststelling van de door de ouders verschuldigde onderhoudsbijdrage voor hun minderjarige kinderen dienen het kindgebondenbudget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop niet in aanmerking te worden genomen bij de bepaling van de behoefte van het kind, maar bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden
budget ontvangt.
2. Er dient geen onderscheid te worden gemaakt tussen de alleenstaande ouderkop en het overige deel van het kindgebondenbudget.
Voor mij was dit een belangrijke uitspraak: niet de overheid, maar ouders zelf hebben een onderhoudsverplichting voor hun kinderen. De richtlijn leidde bovendien tot een diversiteit aan rechterlijke beslissingen, waarbij het kindgebondenbudget wel/niet de behoefte aan kinderalimentatie verlaagde. Belangrijke principes, zoals rechtszekerheid en voorspelbaarheid, raakten in het gedrang. Lopende procedures, overleg tussen advocaten en mediations werden geparkeerd, omdat er teveel onduidelijkheid was over de hoogte van kinderalimentatie. De politiek stelde vragen en op TV waren er nieuwsuitzendingen over. De relevantie van de beslissing is er nog dagelijks. Er zijn niet alleen veel scheidingen met kinderalimentatie, maar het kindgebondenbudget is nog veel hoger geworden. Mijn kantoor was actief betrokken bij deze cassatie.
Biologisch kind heeft recht op lage erfbelastingtarief maar krijgt toch geen gelijk