18 juni 2021 | 14:00 uur - 15:00 uur

Bevoegdheidsincident in kartelschadezaak ECLI:NL:RBAMS:2020:5882

De bevoegdheid van de Nederlandse civiele rechter bij vorderingen gegrond op schendingen van Europees mededingingsrecht

Kartelafspraken tussen en misbruik van machtspositie door ondernemingen stoppen niet bij de grens. De consequenties ervan leiden vaak tot multi-jurisdictionele geschillen. Daarbij worden veelal de ondernemingen betrokken waarvan gesteld wordt dat die het mededingingsrecht hebben overtreden. Als daar een Nederlandse onderneming bij zit, lijkt dat automatisch bevoegdheid in Nederland te creëren om ook de andere ondernemingen waarvan gesteld wordt dat zij deelnemen aan de overtreding mee te nemen in de procedure in Nederland. Dit klinkt logisch, maar het containerbegrip onderneming uit het mededingingsrecht kan ook –en ook in verschillende contexten van het Europees mededingingsrecht – vennootschappen omvatten die in werkelijkheid wellicht een andere betrokkenheid/verantwoordelijkheid hebben voor een gestelde inbreuk en zelfs daar in werkelijkheid helemaal niets mee van doen hebben. Hierdoor lijken nog meer aanknopingspunten te ontstaan voor eventuele bevoegdheid van de Nederlandse rechter als een van die vennootschappen die onderdeel uitmaakt van de inbreukmakende onderneming in Nederland gevestigd is. Leidt dit tot onwenselijke forum-shopping of moeten grote conglomeraten nu eenmaal dulden dat als zij zaken doen in Nederland zij op een schending van het mededingingsrecht van de onderneming kunnen worden aangesproken? Deze vragen zullen de revue passeren onder verwijzing naar recente uitspraken van Nederlandse rechters over hun (on)bevoegdheid om kennis te nemen van vorderingen die gegrond zijn op schendingen van het Europees mededingingsrecht.

Aanmelden
AvdR-Studio-1.jpg

Spreker(s)