Wanneer mag een buitenlandse dochtervennootschap voor de Nederlandse rechter worden gedaagd?

Wanneer mag een buitenlandse dochtervennootschap voor de Nederlandse rechter worden gedaagd?

De Hoge Raad beoordeelt of de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van een schadevordering tegen een Griekse dochtervennootschap wegens vermeend misbruik van een machtspositie op de Griekse biermarkt. De zaak draait om de toepassing van art. 8 punt 1 van de Brussel I-bis Verordening. MTB stelt dat de Griekse dochter en Heineken als moedervennootschap één economische onderneming vormen. Het Hof van Justitie van de EU heeft hierover prejudiciële vragen beantwoord. Volgens het HvJEU mag de rechter bij de bevoegdheidsvraag uitgaan van het vermoeden van beslissende invloed van de moedermaatschappij op de dochter. Daarbij hoeft niet volledig bewezen te worden dat die invloed daadwerkelijk bestond. Voldoende is dat deze invloed niet op voorhand kan worden uitgesloten. De Hoge Raad volgt deze uitleg. Het cassatieberoep van Heineken wordt verworpen. Ook het incidentele beroep wordt afgewezen.