Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24 april 2019

ECLI:NL:GHSHE:2019:1522

Datum: 24-04-2019

Onderwerp(en): Termijnen

Rechtsgebiedenregister: Arbeidsrecht

Vleselijke gemeenschap met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren, meermalen gepleegd. Schending lichamelijke integriteit van dochter door vader. ten laste gelegde Pleegperiode van 1 juli 1981 tot en met 30 juni 1988. Gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden met aftrek van voorarrest. vordering BP deels toewijsbaar, geen schadevergoedingsmaatregel ivm feiten gepleegd voor inwerkingtreding van de Wet-Terwee.

Het hof zal het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren in zijn strafvervolging voor wat betreft de ten laste gelegde periode van 1 juli 1981 tot en met 31 augustus 1982, omdat naar het oordeel van het hof sprake is van verjaring.

Ten tijde van de tenlastegelegde periode dient onder ‘vleselijke gemeenschap’ enkel penetratie van de vagina van de vrouw door de penis van de man te worden verstaan. Derhalve vallen de overige tenlastegelegde gedragingen naar het oordeel van het hof niet onder de delictsomschrijving van artikel 244 Wetboek van Strafrecht zoals dit ten tijde van het delict gold.

Gelet hierop is het kwalificatieve deel van de tenlastelegging (vleselijke gemeenschap) in strijd met een deel van de feitelijke tenlastelegging en wordt de tenlastelegging in zoverre nietig verklaard.

De verklaring van aangeefster wordt in voldoende mate ondersteund door de verklaring afgelegd door haar zus en de door verdachte afgelegde verklaringen. Met de rechtbank komt het hof derhalve tot een bewezenverklaring en acht het hof, met inachtneming van hetgeen het hof eerder omtrent de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie heeft overwogen, de in de tenlastelegging omschreven vleselijke gemeenschap in de periode van 1 september 1982 tot en met 30 juni 1988 wettig en overtuigend bewezen.

Het vorenoverwogene echter in acht nemend en alles overziend doet naar het oordeel van hof de straf zoals deze door de rechtbank is opgelegd recht aan de ernst van het thans bewezen verklaarde en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer. Aldus zal het hof aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden met aftrek van voorarrest opleggen.

De bewezen verklaarde feiten zijn gepleegd vóór de inwerkingtreding van de Wet-Terwee. Gelet hierop is op de ingediende vordering van de benadeelde partij het oude recht van toepassing. Hieruit vloeit voort dat de benadeelde partij maximaal tot een bedrag van ƒ 1.500,00 (omgerekend € 680,67) in haar vordering kan worden ontvangen en dat de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht niet kan worden opgelegd.

Uitspraken met hetzelfde onderwerp: