ECLI:NL:RBGEL:2020:2036
Rechtbank:Rechtbank Gelderland
Datum: 19-03-2020
Onderwerp: Vzr. Rechtbank Gelderland 19 maart 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:2036Uit huwelijk tussen M en V zijn vier (nu nog minderjarige) kinderen geboren, over wie zij GOG uitoefenen. Ontbinding huwelijk in 2019. T.a.v. de kinderen komen partijen co-ouderschap over
Rechtsgebiedenregister: Personen- en familierecht, Jeugdrecht civiel
Vindplaats: Extern
Inhoudsindicatie:
Kort geding, de spoedeisendheid, het gezamenlijk bijwonen van een mentorgesprek op school en de mening van de minderjarige.
Uitspraak:
vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer / rolnummer: C/05/365498 / KG ZA 20-33
Vonnis in kort geding van 19 maart 2020
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. A.M. Slootweg te Barneveld,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. J.L.J. Leijendekker te Wijk bij Duurstede.
Partijen zullen hierna de vader en de moeder genoemd worden.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding;
de brief met producties namens de moeder;
de mondelinge behandeling van 5 maart 2020;
de pleitnota namens de moeder.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn met elkaar gehuwd geweest. Zij hebben vier kinderen:
[kind 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;
[kind 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;
[kind 3] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;
[kind 4] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .
De ouders hebben gezamenlijk ouderlijk gezag en zorgen in de vorm van een co-ouderschap voor hun kinderen, waarbij wekelijks van huis wordt gewisseld door de kinderen.
2.2.
Het huwelijk van partijen is op 19 juli 2019 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van [datum] in de registers van de burgerlijke stand.
2.3.
In het aan de echtscheidingsbeschikking gehechte ouderschapsplan, ondertekend op respectievelijk 17 en 20 mei 2019, is het volgende opgenomen:
“Artikel 3.6
De ouders zullen de informatie- en ouderavonden gezamenlijk of in onderling overleg apart/alleen bezoeken.
Artikel 4
De ouders zullen elkaar over en weer op de hoogte stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de kinderen en elkaar daarover raadplegen.”
3Het geschil
3.1.
De vader vordert – kort samengevat – de moeder te bevelen om een e-mailbericht te verzenden aan de mentor van de minderjarige [kind 1] , waarin de moeder aangeeft dat zij alsnog een gezamenlijk schoolgesprek wil met de man en de mentor. Tevens vordert de vader de moeder te bevelen om bij het geplande gesprek fysiek aanwezig te zijn en om, wanneer zij wordt uitgenodigd voor een schoolgesprek over één van de kinderen, binnen twee dagen te berichten wanneer zij beschikbaar is. Een en ander onder oplegging van een dwangsom aan de moeder wanneer zij het gevorderde niet nakomt. Daarnaast vordert de vader dat aan hem vervangende toestemming wordt verleend om [kind 1] in te schrijven voor huiswerkbegeleiding.
3.2.
De vader legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de communicatie tussen partijen zeer moeizaam verloopt. De moeder wil niet face to face of telefonisch met hem in gesprek. Alles gaat per e-mail of per whats-app bericht. Elk onderwerp dat net iets verder gaat dan de dagelijkse praktijk leidt tot gedoe en de vader kan dit niet langer accepteren.
3.3.
De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling verweer gevoerd. Zij stelt voorop dat de vader niet-ontvankelijk is in zijn verzoeken. Volgens de moeder biedt het ouderschapsplan de mogelijkheid voor de ouders om als ouder alleen met de school over de kinderen te praten. Bovendien rechtvaardigt het enkele feit dat de school één keer is vergeten om de man in een cc van een e-mail aan de moeder te zetten, deze procedure niet.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling duidelijk gemaakt dat hij ten einde raad is en op deze wijze – het aanhangig maken van een kort gedingprocedure – een signaal wil geven van de ernst van zijn zorgen over de uitvoering van het gezamenlijk ouderschap. De vier kinderen hebben er recht op dat ouders met elkaar overleggen over hun zorg en opvoeding. Hij loopt echter tegen een muur op.
4.2.
De moeder heeft aangegeven dat de vader haar te vaak belast met app-berichten en e-mails, waarbij hij haar dwingt om onmiddellijk te antwoorden. Volgens de moeder moeten de dingen gaan zoals de vader het wil en als zij niet toegeeft aan zijn wensen, dan volgt een eindeloze discussie tussen partijen. De moeder heeft veel moeite om het huwelijk en de echtscheiding te verwerken en wil door de vader een periode meer met rust gelaten worden.
4.3.
Bij de beoordeling van de vraag of een zaak zich leent voor een voorlopige voorziening speelt de spoedeisendheid ook een rol. Aan de hand van alle omstandigheden van het geval wordt een afweging gemaakt. Hoe meer duidelijkheid er over de feiten en over de rechtsverhouding bestaat en hoe minder zwaarwegend de belangen zijn van de gedaagde die zich verzetten tegen het geven van een voorlopige voorziening, des te minder hoge eisen er aan spoedeisendheid van het belang van eiser behoeven te worden gesteld. In de afweging spelen in deze zaak de volgende aspecten een rol.
4.4.
De vordering van de vader is een voorbeeld, een illustratie, van de stroeve wijze waarop ouders op dit moment in co-ouderschap het gezag uitoefenen over hun vier kinderen. Niet kan worden ingezien, waarom de reguliere procedure niet kon worden afgewacht, nu deze geschillenregeling op basis van artikel 1:253a BW ook een snelle behandeling vereist. In dergelijke zaken is een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming aanwezig die de ouders kan adviseren over hulpverlening dan wel de noodzaak van een raadsonderzoek kan beoordelen. Tevens kunnen minderjarigen hun stem laten horen en daarin zonodig ondersteund worden door de benoeming van een bijzondere curator.
4.5.
Maar ook dit specifieke voorbeeld van de uitoefening van het ouderlijk gezag levert onvoldoende grond op voor een voorlopige maatregel die gesanctioneerd dient te worden met een dwangsom. Duidelijk is geworden dat de ouders het niet eens kunnen worden over het gezamenlijk bijwonen van mentorgesprekken. Het ouderschapsplan biedt echter ook de mogelijkheid om die gesprekken als ouder alleen te voeren. Nu de moeder nog niet in staat is om deze gesprekken gezamenlijk met de vader te voeren, is er geen overeenstemming over het gezamenlijk bijwonen en dienen de ouders dit in onderling overleg afzonderlijk te doen. Ter zitting is gebleken dat de school inmiddels een voorziening heeft getroffen ten aanzien van de gesprekken tussen de mentor en de ouders individueel.
4.6.
Met betrekking tot de huiswerkbegeleiding is tevens de stem van [kind 1] van belang en dienen de ouders in samenspraak met haar tot een aanpak te komen.
Bij de mondelinge behandeling heeft de moeder naar voren gebracht
- met verwijzing naar een recente cijferlijst - dat haar inspanningen met [kind 1] hebben geresulteerd in een verbetering van de schoolresultaten en dat [kind 1] op dit moment nog maar voor één vak onvoldoende staat. Beide ouders hebben bovendien aangegeven dat [kind 1] zelf niet veel voelt voor een externe huiswerkbegeleiding, zodat de voorzieningenrechter het juridische middel van een voorlopige voorziening niet passend acht.
4.7.
Positief is dat de ouders tijdens de mondelinge behandeling hebben afgesproken dat de ouder bij wie de kinderen die week geweest zijn, op vrijdag (niet eerder indien daarvoor geen noodzaak bestaat) aan de andere ouder laat weten hoe het die week is gegaan. De andere ouder reageert daar dan uiterlijk zaterdag op.
4.8.
Nu deze procedure voortvloeit uit de verbroken relatie van partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd.
5De beslissing
De voorzieningenrechter,
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van deze procedure draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. dr. G.W. Brands-Bottema en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2020.