Rechtbank Noord-Holland 27 maart 2018

ECLI:NL:RBNHO:2018:3381

Datum: 27-03-2018

Onderwerp(en): Cijfers jeugdhulp

Rechtsgebiedenregister: Personen- en familierecht, Jeugdrecht civiel

Ondertoezichtstelling op verzoek van de burgemeester o.g.v. art. 1:255 derde lid BW.

De Raad voor de Kinderbescherming (verder ook: de Raad) ziet op dit moment onvoldoende grond voor een ondertoezichtstelling.

De burgemeester heeft de Raad verzocht de kinderrechter te laten beoordelen of het noodzakelijk is om de minderjarige onder toezicht te stellen.

Gebleken is onder meer dat er sinds 2012 herhaaldelijk meldingen zijn geweest van huiselijk geweld, waarvan de minderjarige getuige is geweest.

Daarnaast is er sprake van overmatig alcoholgebruik door de stiefvader, in aanwezigheid van de minderjarige. Tevens zet de moeder de minderjarige in als tolk in de

communicatie met hulpverleners en politie. Dat betreft vaak zaken die alleen volwassenen aangaan, waardoor de minderjarige ook belast wordt.

Veilig Thuis heeft al langere tijd geprobeerd om hulpverlening in te zetten, maar de moeder en de stiefvader houden dat grotendeels af.

De kinderrechter is van oordeel dat een gedwongen kader noodzakelijk is, omdat de moeder en de stiefvader de zorgen om de minderjarige niet erkennen en

zij mede daardoor onvoldoende openheid van zaken geven en onvoldoende medewerking verlenen aan hulpverlening. Het is noodzakelijk dat er zicht wordt

verkregen op de opvoedingsomgeving en wat de invloed daarvan is op de ontwikkeling van de minderjarige, zeker nu de minderjarige eerst op school

zorgelijke uitspraken over haar thuissituatie heeft gedaan en daar nu niet meer over lijkt te durven vertellen.