ECLI:NL:RBOVE:2021:1037

Rechtbank:Rechtbank Overijssel

Datum: 02-03-2021

Onderwerp: Ontbining

Rechtsgebiedenregister: Huurrecht

Vindplaats: Extern


Inhoudsindicatie:

Vordering tot ontruiming van een bedrijfspand toegewezen. Huurachterstand van ruim 6 maanden en gedaagde heeft niet aangetoond dat hij, ondanks toezeggingen daartoe, een bedrijfsfinanciering heeft afgesloten, dan wel deze heeft afgesloten maar daar geen gebruik van heeft gemaakt.


Uitspraak:

RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 8886684 \ CV EXPL 20-5057

Vonnis van 2 maart 2021

in de zaak van

[eiser]
,wonende te [woonplaats],
eisende partij, hierna te noemen [eiser],
gemachtigde: mr. Th. van Wijngaarden, Smit & Legebeke Gerechtsdeurwaarders

tegen

[gedaagde]
, handelend onder de naam [X],wonende te [woonplaats],
gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde],
procederend in persoon.

1De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 15 december 2020;
- de brief van 11 januari 2021 van [eiser] met het overzicht van de huurachterstand per januari 2021;
- de brief van 18 januari 2021 van [gedaagde];
- de brief van 5 februari 2021 van [eiser] met het overzicht van de huurachterstand per februari 2021;
- de e-mail van 15 februari 2021 van [gedaagde];
- de mondelinge behandeling op 15 februari 2021, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.

1.2.
Op de mondelinge behandeling zijn [eiser] en zijn gemachtigde mr. Van Wijngaarden verschenen. [gedaagde] is niet verschenen.

1.3.
Ten slotte is bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.

2De feiten

2.1.

[gedaagde] huurt sinds 15 april 2019 van [eiser] een bedrijfsruimte met aanhorigheden aan de [adres] in [plaats]. De huurovereenkomst is gesloten voor de duur van drie jaar. Op de datum van dagvaarden bedroeg de huurprijs € 998,25 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.

2.2.

[gedaagde] heeft een achterstand laten ontstaan in de huurbetalingen. Ook na aanmaning heeft [gedaagde] de achterstanden niet betaald.

3Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

de tussen partijen bestaande huurovereenkomst van de bedrijfsruimte met aanhorigheden aan de [adres] in [plaats] te ontbinden en [gedaagde] te veroordelen binnen drie dagen na betekening van dit vonnis de bedrijfsruimte met aanhorigheden met de zijnen en al het zijne te ontruimen, te verlaten en met overgifte van de sleutels ter vrije beschikking van [eiser] te stellen;

[gedaagde] te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.319,11, zijnde de tot en met 30 november 2020 verschuldigde huurpenningen inclusief incassokosten, te vermeerderen met het bedrag dat vanaf 1 december 2020 tot aan de datum van ontruiming aan huur schuldig zou zijn geworden, berekend tegen € 998,25 per maand, te vermeerderen met een percentage gelijk aan de wettelijk toegestane jaarlijkse huurverhoging, te vermeerderen met wettelijke rente en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] zijn verplichting tot betaling van de huur niet is nagekomen. De ernst van de betalingsachterstand geeft [eiser] het recht om de huurovereenkomst met [gedaagde] te doen ontbinden en ontruiming van de bedrijfsruimte te vorderen, aldus [eiser]. Tot en met november 2020 bedraagt de huurachterstand € 3.993,00. De incassokosten, die [gedaagde] verschuldigd is geworden omdat [eiser] de vordering uit handen heeft moeten geven, bedragen € 247,51. Verminderd met een betaling van [gedaagde] van € 921,40 aan Smit & Legebeke, vordert [eiser] dus nog een bedrag van € 3.319,11, berekend tot en met november 2020.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.
Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

[gedaagde] is niet verschenen op de mondelinge behandeling op 15 februari 2021. In zijn e-mail d.d. 15 februari 2021 te 11:58 schrijft [gedaagde] dat hem de toegang tot de zitting is ontzegd, doordat een griffiemedewerkster hem, nadat hij telefonisch gemeld had dat hij lichte verkoudsklachten vertoonde, de eis zou hebben gesteld dat hij een negatieve coronatest zou laten zien. De kantonrechter gaat echter niet mee met deze weergave van de feiten door [gedaagde]. Nadat [gedaagde] telefonisch bij de griffie van de rechtbank had gemeld dat hij verkoudheidsklachten had, is hem – op voorspraak van de kantonrechter – medegedeeld dat de mondelinge behandeling op 15 februari 2021 te 13.30 uur te allen tijde doorgang zou vinden, tenzij [gedaagde] een positieve corona-testuitslag over zou leggen. In dat laatste geval zou de mondelinge behandeling van de zaak worden aangehouden. [gedaagde] heeft geen positieve testuitslag overgelegd. In zijn e-mail d.d. 15 februari 2021 te 11.58 uur heeft [gedaagde] nogmaals zijn omstandigheden uiteen gezet. Hij heeft niet om aanhouding van de behandeling van de zaak verzocht. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] niet in zijn verdediging is geschaad en dat thans op de vordering kan worden beslist

De betalingsachterstand

4.2.
Omdat [gedaagde] de betalingsachterstand heeft erkend, zal de vordering tot betaling van de huurachterstand van € 3.993,00 worden toegewezen, te verminderen met de betaling van [gedaagde] zoals in 4.8. te vermelden.

Ontbinding en ontruiming

4.3.
Op grond van artikel 6:265 lid 1 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Deze rechtsregel brengt tot uitdrukking dat slechts een tekortkoming van voldoende gewicht recht geeft op (gehele of gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst. Bij de beantwoording van de vraag of ontbinding van deze huurovereenkomst gerechtvaardigd is kunnen alle omstandigheden van het geval van belang zijn (HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810).

4.4.
De kantonrechter is van oordeel dat de betalingsachterstand, waarvan in deze zaak sprake is, van zodanige omvang is dat deze de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde kan rechtvaardigen. De betalingsachterstand betreft inmiddels ruim zes maanden, zo blijkt uit het overzicht van de huurachterstand van 5 februari 2021. [gedaagde] heeft betoogd dat zijn bedrijf vanwege de coronapandemie een omzetdaling doormaakt. Hij gaf zowel in november 2020 als in januari 2021 aan dat hij een bedrijfsfinanciering zou afsluiten. In zijn e-mail d.d. 15 februari 2021 liet [gedaagde] weten dat hij inmiddels over een bedrijfsfinanciering beschikt, maar dat hij daar nog geen gebruik van heeft gemaakt. Het feit dat [gedaagde] nu al 5 maanden geen enkel bedrag aan huur heeft betaald en voorts op geen enkele manier met stukken heeft aangetoond dat hij bedrijfsfinanciering heeft aangevraagd en dat die hem is toegekend, werkt nu echter in zijn nadeel. De keuze om – zoals hij in zijn laatste e-mail heeft aangegeven – tot nu toe geen gebruik te maken van de bedrijfsfinanciering komt in zoverre dan ook voor zijn risico. De gevorderde ontbinding en ontruiming worden gelet op het voorgaande toegewezen, met dien verstande dat de termijn voor ontruiming niet op drie dagen, maar op veertien dagen zal worden gesteld vanaf de betekening van dit vonnis.

Overige huurpenningen/gebruiksvergoeding

4.5.

[eiser] vordert naast de huurachterstand ook betaling van het bedrag aan huurpenningen c.q. gebruiksvergoeding dat [gedaagde] anders tot aan de dag van ontruiming aan huur schuldig zou zijn geworden. Nu hiertegen geen verweer wordt gevoerd, zal dit deel van de vordering worden toegewezen. De huurpenningen c.q. gebruiksvergoeding wordt toegewezen voor € 998,25 per maand, te vermeerderen met een percentage gelijk aan de wettelijk toegestane huurverhoging.

De bijkomende kosten

4.6.
Omdat [gedaagde] de huur niet tijdig heeft betaald, zal de wettelijke rente over de achterstallige huur, en ook de rente over de toekomstige huurtermijnen voor zover [gedaagde] daarmee in verzuim raakt, worden toegewezen vanaf de respectievelijke vervaldata van de huurtermijnen tot de dag van volledige betaling.

4.7.

[eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Er zijn aanmaningen gestuurd en er is geprobeerd een betalingsregeling te treffen. De vordering tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 247,51 ligt voor toewijzing gereed, met inachtneming van de betaling van [gedaagde] zoals hierna vermeld.

4.8.

[gedaagde] heeft aan Smit & Legebeke een bedrag van € 921,40 betaald. Met inachtneming van artikel 6:44 BW zal deze betaling eerst in mindering worden gebracht op de kosten en daarna op de hoofdsom. Er zal dus nog een bedrag van € 3.993,00 + € 247,51 - € 921,40 = € 3.319,11 aan huurachterstand worden toegewezen.

4.9.

[gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld. Hij wordt daarom veroordeeld in de kosten van deze procedure. Deze worden tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 766,07 (bestaande uit € 94,07 aan kosten voor de dagvaarding, € 236,00 aan griffierecht en € 436,00 aan salaris voor de gemachtigde van [eiser] (2 punten x tarief € 218,00)).

5De beslissing
De kantonrechter:

5.1.
ontbindt de tussen [eiser] en [gedaagde] bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de bedrijfsruimte met aanhorigheden aan de [adres] in [plaats];

5.2.
veroordeelt [gedaagde] om deze bedrijfsruimte met aanhorigheden met alle personen en goederen binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van de [eiser] te stellen;

5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen:

een bedrag van € 3.319,11 aan opeisbaar geworden huurtermijnen tot en met november 2020 inclusief buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de respectievelijke vervaldata van de huurtermijnen tot de dag van volledige betaling;

een bedrag van € 998,25, of zoveel hoger als bij een wettelijke huurverhoging zou zijn toegelaten, voor elke maand of gedeelte van een maand gerekend vanaf 1 december 2020 tot de dag van ontruiming, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de respectievelijke vervaldata van de huurtermijnen tot de dag van volledige betaling;

5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 766,07;

5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Koster, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2021.