Hoge Raad 2 februari 2024 Hoge Raad 8 december 2023 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30 november 2023 Rechtbank Noord-Nederland 24 november 2023 Hoge Raad 17 november 2023 Bekijk alles
ECLI:NL:RBSGR:2011:BU5186 Rechtbank 's-Gravenhage 15 november 2011

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU5186

Datum: 15-11-2011

Onderwerp: Een overview

Rechtsgebiedenregister: Personen- en familierecht

Vindplaats: Extern

Oorspronkelijk gemeenschappelijk echtscheidingsverzoek met ouderschapsplan / kinderconvenant. Het kinderconvenant is gesloten na mediation in het kader van een door de vader gestarte teruggeleidingsprocedure. De moeder had de minderjarige zonder toestemming van de vader meegenomen naar Nederland. Het kinderconvenant houdt kort gezegd in: een afwisselend verblijf bij de vader in de Verenigde Staten van Amerika en de moeder in Nederland, tot de schoolgaande leeftijd een wisseling elke drie maanden en vanaf de schoolgaande leeftijd een wisseling elk jaar waarbij elke vakantie bij de andere ouder wordt doorgebracht. De rechtbank heeft de behandeling van het gemeenschappelijk verzoekschrift naar de zitting verwezen in verband met vragen over dit kinderconvenant. In de tussenbeschikking heeft de rechtbank overwogen er vooralsnog niet van overtuigd te zijn dat de door partijen overeengekomen zorgregeling in het belang van de minderjarige is. Er is vervolgens een bijzonder curator benoemd. In de eindbeschikking heeft de rechtbank beslist aan de hand van alle omstandigheden van het geval en met inachtneming van de belangen van de vader, van de moeder en van de minderjarige, waarbij de belangen van de minderjarige voor de rechtbank de eerste overweging zijn. De rechtbank heeft geoordeeld dat de huidige regeling niet kan worden gehandhaafd en dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij een van de ouders dient te worden vastgesteld (hetgeen inmiddels ook het standpunt is van beide ouders). Beide ouders zijn in staat de minderjarige een goede verzorging en opvoeding te bieden en de minderjarige heeft met beide ouders een goede band. De rechtbank heeft geoordeeld dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader in de Verenigde Staten van Amerika dient te zijn. De doorslaggevende argumenten daarvoor zijn: hij wordt - meer dan de moeder - in staat geacht het contact tussen de minderjarige en de andere ouder te waarborgen. Hij heeft tot nu toe bij zijn handelingen en beslissingen steeds het belang van de minderjarige voorop gesteld, hetgeen de moeder niet in die mate heeft gedaan. De opstelling van de moeder richting de vader voor wat betreft zaken rondom de minderjarige is minder faciliterend geweest. Bovendien is de financiële positie van de moeder kwetsbaarder dan die van de vader. Zie voor tussenbeschikking: LJN BU5186

Ga naar uitspraak