ECLI:NL:CRVB:2023:2247

Rechtbank:Centrale Raad van Beroep

Datum: 30-11-2023

Onderwerp: Recente uitspraken Wajong

Rechtsgebiedenregister: Sociaal-zekerheidsrecht, Arbeidsrecht

Vindplaats: Extern


Inhoudsindicatie:

Weigering om een Wajong-uitkering toe te kennen. Zeer laattijdige aanvraag. Van belang is de medische situatie van appellant in 1986/1987. Van deze periode is geen medische informatie beschikbaar waaruit blijkt wat de medische situatie van appellant was op zijn zeventien/achttiende jaar. Een fysiek spreekuur heeft geen toegevoegde waarde. Proceskosten.


Uitspraak:

22/1667 WAJONG

Datum uitspraak: 30 november 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 19 april 2022, 20/2689 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Met een besluit van 29 januari 2020 heeft het Uwv geweigerd appellant een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toe te kennen. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt, maar het Uwv is met een besluit van 14 september 2020 (bestreden besluit) bij de weigering van de Wajong-uitkering gebleven.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.

Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 19 oktober 2023. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.C.P. Veldman.

OVERWEGINGEN

Samenvatting

Het gaat in deze zaak over een laattijdige aanvraag en de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen. Volgens appellant had het Uwv vanwege zijn medische situatie op zijn zeventiende/achttiende jaar beperkingen moeten aannemen en was hij aan te merken als jonggehandicapte. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv appellant terecht een Wajong-uitkering heeft geweigerd.

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellant, geboren op [Geboortedatum] 1969, heeft met een door het Uwv op 13 november
2019 ontvangen formulier een aanvraag voor een Wajong-uitkering ingediend. Daarbij is vermeld dat appellant onder meer psychische klachten, vaatproblemen en klachten aan zijn rug, heup en longen heeft. Het Uwv heeft appellant verzocht medische gegevens te verstrekken over de periode tussen zijn zeventiende en achttiende verjaardag. Dat heeft appellant niet gedaan. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht en geconcludeerd dat er onvoldoende medische gegevens zijn die zien op het zeventiende/achttiende jaar van appellant. De aanvraag is om deze reden bij besluit van 29 januari 2020 niet verder in behandeling genomen op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht.

1.2.

In de bezwaarfase heeft het Uwv zijn motivering gewijzigd. Volgens het Uwv is
onvoldoende medische informatie beschikbaar over het zeventiende/achttiende jaar van appellant zodat niet wordt aangenomen dat appellant voldoet aan de criteria van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet.

Uitspraak van de rechtbank

2.1.
De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien en vastgesteld dat de aanvraag voor een uitkering is geweigerd. Het Uwv is veroordeeld in de proceskosten.

2.2.
De heeft rechtbank overwogen dat het Uwv toereikend heeft gemotiveerd waarom appellant niet in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering. Er is geen medische informatie voorhanden die betrekking heeft op de periode rond het zeventiende/achttiende jaar waardoor het voor de verzekeringsartsen niet mogelijk is om het functioneren voor die periode te beoordelen. De medische stukken die appellant in beroep heeft overgelegd gaan terug tot 1995 en dat is ruimschoots na het zeventiende/achttiende jaar van appellant (1986/1987). Het standpunt van appellant dat aannemelijk is dat zijn klachten ook toen aanwezig waren is niet nader onderbouwd. De rechtbank wijst op vaste rechtspraak van de Raad dat bij een laattijdige aanvraag het bewijsrisico, dat een medisch beeld niet meer concreet is vast te stellen, bij de aanvrager ligt. Omdat het bestreden besluit een ander rechtsgevolg heeft dan het primaire besluit, had het Uwv het bezwaar gegrond moeten verklaren met herroeping van het primaire besluit. Nu dat niet is gebeurd, heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat de aanvraag wordt geweigerd.

Het hoger beroep van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens, voor zover daarbij
is geoordeeld dat appellant geen recht heeft op een Wajong-uitkering en de hoogte van de proceskostenveroordeling. Appellant stelt dat het onderzoek door het Uwv onzorgvuldig is omdat hij niet daadwerkelijk is gezien door een verzekeringsarts. De verzekeringsarts bezwaar en beroep neemt aan dat er problemen zijn geweest op het zeventiende/achttiende jaar. Gelet hierop hadden voorzichtigheidshalve beperkingen gesteld moeten worden en had een arbeidskundige beoordeling moeten zijn verricht. Appellant stelt dat de proceskostenveroordeling van de rechtbank niet juist is aangezien voor zowel bezwaar als beroep twee punten hadden moeten worden toegekend.

Het oordeel van de Raad

4.1.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit om de Wajong-uitkering te weigeren in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

4.2.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, staan in de aangevallen uitspraak. Daar wordt kortheidshalve naar verwezen.

Medische situatie zeventiende/achttiende jaar

4.3.
In hoger beroep heeft appellant de in beroep naar voren gebrachte gronden en argumenten in essentie herhaald. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen medische informatie beschikbaar is waaruit blijkt wat de medische situatie van appellant was op zijn zeventien/achttiende jaar. Deze situatie komt voor rekening van appellant omdat sprake is van een zeer laattijdige aanvraag. De rechtbank heeft alle beroepsgronden helder en inzichtelijk besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden onderschreven. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.

4.4.
Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest omdat hij niet is gezien door een verzekeringsarts. Van belang is namelijk de medische situatie van appellant in 1986/1987. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten van 5 september 2020 en 28 augustus 2023 afdoende toegelicht dat door het tijdsverloop een fysiek spreekuur geen toegevoegde waarde meer heeft en dat volstaan kan worden met dossierstudie. Een situatie die strijdig is met de uitspraak van de Raad van 23 juni 2021 doet zich niet voor.

Proceskostenvergoeding in beroepsfase

4.5.
Voor het oordeel dat de proceskostenveroordeling gebaseerd had moeten worden op vier punten in plaats van drie punten, wordt geen aanleiding gezien. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen op een zitting van de rechtbank zodat de rechtbank, los van het verzoek om schadevergoeding, terecht is uitgegaan van in totaal drie proceshandelingen (bezwaarschrift, hoorzitting en beroepschrift). Niet gebleken is dat de rechtbank een proceshandeling heeft gemist waardoor de proceskostenveroordeling, vanwege het ontbreken van een punt, niet juist is.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.

6. Appellant krijgt daarom geen vergoeding voor zijn proceskosten. Hij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.R. van der Velde, in tegenwoordigheid van N. ter Heerdt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 november 2023.

(getekend) W.R. van der Velde

(getekend) N. ter Heerdt

CRvB 15 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1400.

CRvB 23 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1491.