Centrale Raad van Beroep 11 november 2020

ECLI:NL:CRVB:2020:2994

Datum: 11-11-2020

Onderwerp(en): Verzekeringsarts en deskundigen

Rechtsgebiedenregister: Sociaal-zekerheidsrecht

Uit de gegevens komt naar voren dat het Uwv serieus heeft getracht het door de Raad vastgestelde zorgvuldigheidsgebrek te herstellen. Wat daaruit ook naar voren komt, is dat – gezien het tijdsverloop en de aanzienlijke wijziging in de medische situatie van appellant, opgetreden naar aanleiding van een hem overkomen tweede ongeval in 2018 – een zuivere en volledige heroverweging in bezwaar van het besluit van 5 april 2016 niet meer mogelijk is. Gelet op de eerder als onzorgvuldig beoordeelde gang van zaken bij het Uwv, kan dat echter niet voor rekening en risico van appellant komen. Dit maakt dat geen andere uitkomst mogelijk is dan de vaststelling dat het recht op ziekengeld van appellant ten onrechte is beëindigd per 22 mei 2016. Hieruit volgt dat het beroep van appellant slaagt. Het bestreden besluit zal wegens strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel worden vernietigd. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72 van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 5 april 2016 te herroepen. Gevolg hiervan is dat het recht op ziekengeld na 22 mei 2016 is doorgelopen tot het einde van de wachttijd van 104 weken. Proceskostenveroordeling.

Uitspraken met hetzelfde onderwerp: