Centrale Raad van Beroep 15 juli 2021

ECLI:NL:CRVB:2021:1760

Datum: 15-07-2021

Onderwerp(en): Inkomensverrekening

Rechtsgebiedenregister: Sociaal-zekerheidsrecht

Ter beoordeling ligt voor of het Uwv de hoogte van de WW-uitkering van appellante in de periode van 1 juni 2017 tot en met 30 september 2017 op juiste wijze heeft vastgesteld. Met de rechtbank wordt deze vraag bevestigend beantwoord. Met het Uwv en de rechtbank wordt vastgesteld dat appellante voor de werkzaamheden die zij in de maanden juni tot en met september 2017 bij [opdrachtgever 1] verrichtte, op grond van artikel 8, eerste lid, van de WW niet als werknemer wordt beschouwd. In artikel 1b, vijfde lid, van de WW is bepaald hoe het inkomen in dat geval moet worden berekend. Appellante miskent met haar stellingen in hoger beroep de door de wetgever bewust gekozen systematiek van de WW. Er zijn geen aanknopingspunten in de wet, en evenmin in de wetsgeschiedenis, om appellante te volgen in haar stelling dat zij in het kader van de inkomstenverrekening op grond van de WW in de bedoelde periode moet worden aangemerkt als werknemer van [opdrachtgever 1] vanwege de in die periode verrichte werkzaamheden voor [werkgever B.V. 2] en [X]. Het betoog van appellante dat het Uwv haar eerder had moeten uitleggen hoe niet-verzekeringsplichtige arbeid met de WW-uitkering wordt verrekend, slaagt niet. Met de rechtbank wordt overwogen dat voor een op het Uwv rustende zorgplicht, zoals appellante voorstaat, geen rechtsgrond bestaat. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

Uitspraken met hetzelfde onderwerp: