Hoge Raad 14 maart 2017

ECLI:NL:HR:2017:421

Datum: 14-03-2017

Onderwerp(en): Vrijwillige terugtred

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht

Poging uitlokking moord. 1. Gebruik als bewijs van p-v’s die door onder codenummers aangeduide opsporingsambtenaren zijn opgemaakt. Motiveringsvoorschrift van art. 360.1 Sv verzuimd? 2. Vrijwillige terugtred; art. 46b Sr.

Ad 1. De kennelijk aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat art. 360.1 Sv z.m. van toepassing is op het gebruik als b.m. van een door een onder codenummer aangeduide opsporingsambtenaar opgemaakt p-v, is onjuist. De HR heeft in ECLI:NL:HR:2014:230 geoordeeld dat de omstandigheid dat een onder codenummer bekende opsporingsambtenaar naderhand is verhoord op de wijze als voorzien in de art. 190.3 en 290.3 Sv meebrengt dat het motiveringsvoorschrift van art. 360.1 Sv ook van toepassing is op het gebruik als b.m. van het eerder onder codenummer opgemaakte p-v houdende de verklaring van de desbetreffende opsporingsambtenaar. Die situatie doet zich i.c. niet voor. Ad 2. Aan ’s Hofs verwerping van het beroep op vrijwillige terugtred ligt het oordeel ten grondslag dat geen plaats is voor vrijwillige terugtred a.b.i. art. 46b Sr indien sprake is van een zgn. voltooide poging. Die opvatting is onjuist. Het gaat niet erom of verdachte vrijwillig is teruggetreden voordat sprake is van een strafbare poging, maar of hij is teruggetreden voordat sprake is van een voltooid misdrijf. In geval van een voltooide poging is vrijwillige terugtred i.d.z.v. art. 46b Sr niet reeds in zijn algemeenheid uitgesloten (vgl. ECLI:NL:HR:2006:AZ2169). De klacht leidt echter niet tot cassatie omdat het i.c. aangevoerde ontoereikend is voor het slagen van het verweer.

Uitspraken met hetzelfde onderwerp: