Hoge Raad 12 november 2019

ECLI:NL:HR:2019:1732

Datum: 12-11-2019

Onderwerp(en): Vervolgingsleeftijd

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht, Jeugdrecht strafrecht

Jeugdzaak. Seksueel binnendringen bij meisje onder 16 jaren door als 16-jarige verdachte in woning van medeverdachte in Amsterdam ontuchtige handelingen te plegen met 13-jarig meisje dat meerdere glazen whisky heeft gedronken, art. 245 Sr. Toepassing art. 80a of 81 RO na vrijspraak in e.a. en veroordeling in h.b. toegestaan? Klacht dat verwerping cassatieberoep door HR o.g.v. art. 80a of 81 RO strijd zou opleveren met art. 14.5 IVBPR, is geen middel van cassatie a.b.i. wet. Wanneer rechter in e.a. verdachte van tlgd. feit heeft vrijgesproken maar Hof tot veroordeling t.z.v. dat feit komt, ligt in cassatie uitsluitend uitspraak Hof ter beoordeling aan HR voor. In cassatie beoordeelt HR o.b.v. tegen bestreden uitspraak ingediende klachten en o.g.v. alle voor beoordeling relevante stukken van het geding of die uitspraak dient te worden vernietigd wegens schending van het recht of verzuim van vormen. Daaronder zijn begrepen wettelijke bewijsregels, o.m. die inzake bewijsmotivering. Omstandigheid dat Hof tot veroordeling is gekomen t.z.v. feit waarvan verdachte in e.a. is vrijgesproken, kan onder omstandigheden van belang zijn voor aan bewijsmotivering te stellen eisen, waarvan naleving in cassatie kan worden getoetst (vgl. ECLI:NL:HR:2018:1943). Wanneer ingediende klachten geen doel treffen, bieden art. 80a.4 en 81.1 RO HR mogelijkheid om motivering van zijn oordeel te beperken tot vermelden van in die bepalingen bedoelde gronden. Inhoudelijke beoordeling door strafkamer HR is in geval dat toepassing wordt gegeven aan art. 80a of 81 RO, niet anders dan wanneer daaraan geen toepassing wordt gegeven. Het gaat bij die bepalingen immers uitsluitend om wijze waarop HR zijn oordeel m.b.t. cassatieberoep motiveert. Met toepassing van art. 80a.4 of 81.1 RO wordt niet méér tot uitdrukking gebracht dan dat cassatieberoep dat zich richt tegen bestreden uitspraak, niet slaagt en dat aangevoerde klachten tegen die uitspraak geen behandeling in cassatie rechtvaardigen vanwege klaarblijkelijk onvoldoende belang of klaarblijkelijke ongegrondheid (art. 80a RO) dan wel dat het bij beoordeling van een of meer van die klachten niet nodig is antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor eenheid of ontwikkeling van recht (art. 81 RO). Wettelijke voorziening dat HR zich tot in art. 80a of 81 RO bedoelde afdoening mag beperken, draagt bij aan mogelijkheid cassatieberoepen versneld te behandelen en stelt mede daardoor HR in staat zich te concentreren op zijn kerntaken als cassatierechter (vgl. EHRM nr. 55385/14 (Baydar/Nederland), § 47). Art. 14.5 IVBPR staat aan hiervoor overwogene niet in de weg. Volgt verwerping. Samenhang met 18/02829 J.

Spreker(s)

Ad.jpg
mr. bc. Ad van der Linden

oud-kinderrechter en raadsheer-plaatsvervanger, medewerker Familie- en Jeugdrecht Universiteit Utrecht, plaatsvervangend voorzitter (Tucht)College van Beroep SKJ (Jeugdhulp), voorzitter regionale klachtencommissie Jeugdhulp Eemland

Bekijk profiel

Uitspraken met hetzelfde onderwerp: