Hoge Raad 24 september 2019

ECLI:NL:HR:2019:1414

Datum: 24-09-2019

Onderwerp(en): Eigen waarneming rechter

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht

Mishandeling, art. 300.1 Sr. Eigen waarneming van de rechter als bewijsmiddel, art. 339.1 Sv jo. art. 340 Sv. Kan een eigen waarneming van de rechter van een opname van beeld en/of geluid tot het bewijs meewerken, wanneer die waarneming door de rechter buiten het verband van de tz. is gedaan, en zo ja, onder welke voorwaarden? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2006:AX6414 t.a.v. ratio van art. 340 Sv. HR geeft regels weer t.a.v. voeging van opnamen van beeld en/of geluid bij de processtukken. Mede in het licht van deze regeling m.b.t. de voeging bij de processtukken en de daarmee verband houdende mogelijkheid van kennisneming van beeld- of geluidmateriaal voorafgaand aan de aanvang van het onderzoek ttz., staat de ratio van art. 340 Sv er niet z.m. aan in de weg dat voor het bewijs gebruik wordt gemaakt van een buiten het verband van de tz. gedane eigen waarneming van een opname van beeld en/of geluid. In dit laatste geval mag echter de desbetreffende eigen waarneming door de rechter alleen bij de beraadslaging a.b.i. art. 350 Sv worden betrokken en voor het bewijs worden gebruikt als (i) die opname tijdens het onderzoek op de tz. aan de orde is gesteld, (ii) verdediging en OM van die opname kennis hebben kunnen nemen en (iii) ttz. door aldaar aanwezige verdachte, raadsman of vertegenwoordiger van OM geen bezwaar is gemaakt tegen het niet vertonen of ten gehore brengen van die opname ttz. M.b.t. het onder (i) genoemde vereiste is van belang dat de rechter ex art. 301.3 Sv gehouden is mondeling mededeling te doen van de korte inhoud van de tot de processtukken behorende, maar niet ttz. vertoonde of beluisterde opnamen. Hiertoe volstaat in beginsel een korte aanduiding of een samenvatting van de inhoud van de opname. Onder omstandigheden kan de rechter echter gehouden zijn de eigen waarneming van de opname van beeld en/of geluid nader ttz. aan de orde te stellen. Dat is het geval indien de procespartijen door het latere gebruik van de eigen waarneming voor het bewijs zouden worden verrast omdat zij met (de inhoud of de strekking van) de waarneming van de rechter geen rekening behoefden te houden. Of daarvan sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals het procesverloop, de aard van de waarneming en het verband van de waarneming met het overige voorhanden bewijsmateriaal (vgl. ECLI:NL:HR:2009:BJ2831).

P-v van tz. in h.b. houdt in dat camerabeelden, die betrekking hebben op de confrontatie tussen verdachte en aangeefster en die door Hof buiten het verband van tz. zijn bekeken, tot processtukken behoren, dat deze ttz. aan de orde zijn gesteld en dat raadsman zich bij het voeren van verweer over de beelden heeft uitgelaten. P-v houdt niet in dat door verdediging of A-G bij Hof bezwaar is gemaakt tegen het niet vertonen van die beelden tijdens onderzoek ttz., zodat het ervoor moet worden gehouden dat een dergelijk bezwaar niet is gemaakt. Gelet hierop heeft Hof, zonder miskenning van wat hiervoor is vooropgesteld, eigen waarneming van Hof voor het bewijs mogen bezigen. Volgt verwerping.

Spreker(s)

mr.-Gerlof-Meijer.jpg
mr. Gerlof Meijer

senior rechter Rechtbank Overijssel, auteur, docent en theatermaker

Bekijk profiel

Uitspraken met hetzelfde onderwerp: