ECLI:NL:HR:2019:1883

Rechtbank:Hoge Raad

Datum: 03-12-2019

Onderwerp: Jurisprudentie

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht

Vindplaats: Extern


Inhoudsindicatie:

Medeplegen gewoontewitwassen, art. 420ter Sr jo. 420bis.1.b Sr. Ontbreken bij de stukken van het geding van een deel van de randnrs. in de door de raadsman overgelegde pleitnota in h.b. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 18/03175 P, 18/03535 en 18/03542 P.


Uitspraak:

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/03172

Datum 3 december 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 10 juli 2018, nummer 22/002731-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte.

1Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben N. van Schaik en S.D. Groen, beiden advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadslieden hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 december 2019.