Hoge Raad 8 april 2008

ECLI:NL:HR:2008:BC5982

Datum: 08-04-2008

Onderwerp(en): Strafuitsluitingsgronden

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht

1. Opzet. 2. Noodweer. Ad 1. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR LJN AE9049. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat verdachte door het met het mes toebrengen van een diepe steekwond in de rug van X zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij het slachtoffer van het leven zou beroven. Tegen de achtergrond van ‘s Hofs vaststellingen is dat oordeel onjuist noch onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat het Hof onder meer heeft vastgesteld dat verdachte, die zich in het nauw gedreven voelde en wilde dat X van hem afging, zich ervan bewust moet zijn geweest dat hij t.t.v. het gevecht met X het opengeklapte mes in zijn hand had en daarmee, zoals hij kort na het gebeuren toen de herinneringen nog vers waren tegenover de politie heeft verklaard, X - klaarblijkelijk met kracht - heeft gestoken onder in zijn rug. Aan de begrijpelijkheid van dit oordeel kan niet afdoen het mede tot het bewijs gebezigde onderdeel van de verklaring van verdachte ttz. in hoger beroep dat hij pas in het bushokje besefte dat hij X had gestoken. Die enkele verklaring - waarmee, naar het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft aangenomen, verdachte tot uitdrukking heeft gebracht dat hij pas achteraf ten volle begreep wat hij had gedaan - sluit immers in de gegeven omstandigheden niet uit dat verdachte voordien, op het moment dat hij X met kracht een diepe steekwond in de rug toebracht, zich van dat steken bewust is geweest en de mogelijk fatale gevolgen daarvan bewust heeft aanvaard. Ad 2. ‘s Hofs oordeel dat het beroep op noodweer moet worden verworpen omdat verdachte door het gekozen verdedigingsmiddel en de wijze waarop hij dat heeft aangewend de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden is onjuist noch onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat verdachte zich tegen de aanval heeft verdedigd door met kracht een diepe steekwond in de rug van het slachtoffer toe te brengen als gevolg waarvan het slachtoffer verwondingen heeft opgelopen die fataal zouden zijn geweest als het slachtoffer niet tijdig medisch was behandeld, terwijl de aanval op verdachte bestond uit het slaan met de blote hand dan wel vuist.

Spreker(s)

mr.-Rob-ter-Haar.jpg
mr. Rob Ter Haar

plaatsvervangend rechter Rechtbank Overijssel, docent Universiteit Utrecht

Bekijk profiel

Uitspraken met hetzelfde onderwerp: