Hoge Raad 30 mei 2000

ECLI:NL:HR:2000:ZD1705

Datum: 30-05-2000

Onderwerp(en): Eendenjagen

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht

Jagen op eenden, art. 9 Jachtwet. 1. Bevat tll. behoorlijke feitelijke omschrijving van hetgeen verdachte wordt verweten? Kwalificatie bewezenverklaard feit. 2. Bewijsklacht. Heeft Rb verzuimd beslissing te geven op ttz. in h.b. aangevoerde dat hetgeen aan verdachte wordt verweten niet is aan te merken als "jagen" in de zin van Jachtwet?

Ad 1. Middel gaat uit van opvatting dat in tll. en bewezenverklaring t.a.v. daarin bedoelde wild ten onrechte niet is vermeld op welke soort eend(en) handelen van verdachte betrekking heeft, aangezien in art. 2.1.c Jachtwet 10 aldaar aangeduide soorten eenden als "wild" worden aangemerkt. Rb heeft tll. kennelijk zo verstaan dat deze ziet op een van de soorten eenden als nader omschreven in art. 2.1.c Jachtwet. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk. Gelet daarop geeft in bestreden uitspraak besloten liggend oordeel Rb dat tll. voldoende feitelijke omschrijving bevat van hetgeen aan verdachte wordt verweten geen blijk van onjuiste rechtsopvatting terwijl het evenmin onbegrijpelijk is, in aanmerking genomen dat p-v van tz. niet inhoudt dat door of namens verdachte is aangevoerd dat deze niet heeft begrepen waarop tll. betrekking had. Rb heeft bewezenverklaarde terecht gekwalificeerd als overtreding van het bij art. 9 Jachtwet bepaalde.

Ad 2. Namens verdachte is aangevoerd dat het enkele feit dat "verdachte aan het jagen was (...) met loslopende jachthond welke levende eend apporteerde" niet als jagen in de zin van Jachtwet kan worden verstaan. V.zv. middel erover klaagt dat Rb heeft verzuimd op voormeld verweer met redenen omklede beslissing te geven, is het terecht voorgesteld, aangezien voormeld verweer niet van louter feitelijke aard is doch daarin tevens rechtsvraag aan de orde wordt gesteld of handelen van verdachte als jagen in de zin van Jachtwet kan worden aangemerkt. Voormeld verzuim behoeft echter niet tot cassatie te leiden, aangezien Rb verweer slechts had kunnen verwerpen. Immers, gelet op hetgeen Rb feitelijk en niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld, te weten dat verdachte zich in jachtveld bevond en loslopende jachthond bij zich had, welke jachthond kennelijk wild heeft gezocht en aan verdachte levende eend heeft geapporteerd, is sprake van "opsporen en bemachtigen van wild" a.b.i. art. 1.1 Jachtwet.

Volgt verwerping.

AvdR-TV (1)